donderdag 18 februari 2016

Wakker worden


De Liefde heeft woorden als zinnen en 
praat in haar slaap.

Zij praat met twee eenzame stemmen.
Die leggen om beurten een nietszeggend woord 
op de tafel. 

Vielen. Velen. Leven. Lieven.

Tussen waken en dromen stuurt zij de stemmen haar sluimerwoorden -
en onzichtbaar speelt zij daarmee haar eigen spel -
verlicht onze stemmen in ijl maar verstaanbaar gezang.

Niets nog verraadt waar het gesprek over gaat - niets wijst nog op een verhaal -
maar over het feit van de liefde spreken jouw tong en de mijne dezelfde stille taal.



zondag 14 februari 2016

Tweesprong

I
Vergroeid 

Je verwoont de dagen
in een gewortelde woning.
Kijkend vanuit een stoel naar de boeken -
je tastbare ziel. Jouw binnenste buiten 
is het huis dat je vormde -
uit een zwijgende rij 
van kleinere keuzes.
Talloze stappen werden tot de vorm waarin jij je voegde.
Die tafel, dat bordje en kopje, dat bed. 

Kijk naar de vrouw. Zij is daar het hart.
In al die getelde en hertelde jaren, 
waarin jij stroomde als bloed.
Door het vat waarin je vloeide, al lavend en voedend.
Als de mal die je maakte, 
tot de mal gemaakte man.
Temidden van al haar dingen smaakt nu het jouwe. 
Als het kastje dat daar in die hoek, 
tegen de muur werd gezet.

II
Die andere keuze  

De tweede keuze spreekt en zingt,
zij loopt en springt over drassige plassen.
Zij woont op vele gepasseerde stations,
langs jouw ongekozen weg.
Zij is jouw ondersteboven, 
haar wortels reiken 
tot de hemelpoort.

Zij woont in pek en veren,
zij gaat gehuld in schuld. 

Haar stem klinkt zacht, haar vorm onvast,
zij boezemt zonder angst, smelt in jouw ogen.
Zij proeft jouw mond, speelt met jouw tong, zij - 
kronkelt langs lid en lijf, begeeft je de adem 
en opent zich dan warm en wijd.

En jij laat je rijden 
in cirkels en lijnen,
je lange benen,
losjes gespreid. 

Tot aan het einde van de rit 
na de trotse verstijving,
en het schallende ik houd van jou,
je snelle stappen terug in het duister,
dwars door schelle waterkou.

zondag 24 februari 2013

Massa

ik breek dit sonnet met mijn handen aan flinters stuk
en bij beetjes deel ik het uit, de steen barst
en hup, die maan laat ik uit mijn ooghoek vallen
als een traan. De zon - daar aan de hemelstand

krast licht door een spiegel aan gruzelementen
die fragmenteer en verveelvoudig ik. Dan versier ik
het tafelkleed met wat verbrokkelde sterren, gooi zo meteen
de man van mijn dromen uit in de vuurzee dronken vervaagt hij,

vraagt hij zich kolkend af van waar
waarom ik mij hul in een pantser

als een biljoen geleedpotigen

waarom ik vermomd ga als een leger.

donderdag 18 augustus 2011

Overgave

nooit gedacht dat ik zo zwanger worden zou
zo boordevol gelijk
welhaast een omgekeerde wereldbol
en dat ik bloedig baren zou
tot melkwit welbehagen

nooit gedacht dat ik zo zwanger worden zou
toen ik daar lag wat leeg en licht
verveeld het spelen moe
je tot mij door liet dringen

zaterdag 9 juli 2011

De wreedheid van april

Ik spaarde weken, maanden, later jaren,
van de tijd die overbleef
om het hardst, om wie de sterkere
gevangen in vlees
kansloos tegen de noordenwind.

Een vorm van luiheid zonder twijfel,
die de strijd niet aangaat –
de krachten niet wil meten
verkiest om niets te weten.

Eenzaam uitgesloten ligt april
vrij van belofte als in mei
het grote moorden de tijd verslaat

wij zijn
in beginsel pril noch absoluut.

Ik stik

O liefste lief het verwatert ons
luisterrijk tot aan de rand
gruwelijk over de top

vliegend en zwemmend tegelijk
radeloos overleven en
het verwoede dolen

klauwend naar
alweer een geloof –
zonder inleiding en zonder slot
dat mij voorschrijft en samenvat

drijfveren tegen betaling
van één obool

Snijpunt

strafbaar is het - strafbaar om zo uitgelaten
springerig het spoor te volgen naar
drie essen en een hondegraf

wichelplaats al leeggegraven
vol van eenzaamheid - de prijs
voor mijn verdorven kus - genadeslag

vier essen en een hondegraf
in spin en holy hinkelbaan zo ingetogen
misty autumndag

o huil maar niet ach huil maar niet
om wat eens dier was en verbonden
slechts leegte heb ik daar gevonden – mateloos

mij terugverlangen liet
naar waar en wat mijn hart verbiedt