(Verslag van een zoektocht naar woordloze dimensies van liefde door honger gedreven)
Honger drijft mij,
geen hoop of smal geloof
dwingt mij ’s nachts
tot de godheid
aan het knoppenpaneel, zijn wet is goedertieren.
Hij regelt zijn bassen zwaar
op mijn holle darmen in,
uitgemergeld
tot in het diepst van mijn kreunend perineum
trilt mijn karkas
mee in zijn almacht. Hij is mijn waarheid -
hij leidt mij tot niets.
Daar staat
de dikke man, ik trekt zijn aandacht
te midden van de mensen-stuwing,
op de hartslag van de duisternis duwt mij een zwelling naar buiten,
glipt mij na door een steeg, over een kade.
Het is een glijbaan -
hier volstaat een kort gebaar.
Ik loop voor hem uit, een boegbeeld
snakkend naar brood. Nooit was het beroep
op mijn maagdelijkheid ontvankelijker
dan toen, bij het bestijgen
van het krakend geraamte, de gammele trap.
Ik snak naar brood, er is alleen vlees - ik pleit mij niet vrij,
bezwijk niet. Onder die massa mag ik eten,
dankbaar neem ik zijn slijm, ik ben
meesteres in het belanden.
Honger drijft mij,
de man aan de knoppen, een nieuwe nacht.
Alles is voor niets - van mij
wordt geen enkele uitspraak verwacht.