donderdag 5 augustus 2010

Personae

wil wel met u praten
uren als het moet
vragen stellen en vertellen
dat ik niets te zeggen heb

wil wel lachen dansen werken bouwen
stil zijn (wat geen moeite kost)
want bezonnen en in vrede weet ik
elk van ons verlaat mij weer

geborgen in uw beelden
verberg ik mijn gedaanten
al is het voor één keer

ik beoog alleen
niet meer of minder dan alleen
uw bed meneer

Ooit

ooit weet je genoeg
dan vertrek je voorgoed

je verwatert uit angst voor de angst
onwetend vervult je de geur
van zomerdood
nu al
na de zoveelste stilte
de ruis bij aanlandige wind
verwacht als
de dood van een vader en moeder

dan spreken wij elkaar
niet meer tegen
maar nu nog niet

Doodgewoon

betover het gewone
dat wondert te buiten
daar geurt het vernieuwen
het schone ten onder - op en
voluit gebloeid zint & herzint zich-

waar god na god verschijnt
in dichtersnaam
denk ik aan jou

Geen titel

Goden geef mij ijskoude vrijheid,
van elk gevoel ontdaan,
van toppen waar niets is, want,
wie weinig wil, heeft alles,
en is.
Mens.
Gelijk de goden

naar F. Pessoa

Morgen meer

de vroegte spiegelt roerloos in het
kwetsbaar watervlak – de stilte daar – die hoort
waar licht en lucht tezamen raken grijst

het blauw tot beeld van helder kijken
het ademloze ochtendlicht
hier spreekt hij van een vergezicht

vergankelijk het levend stervensrijk
bedreigd door bot en blind gaan aan de haal
het rotten heel verfijnd steeds opgediend als galgemaal

maar door zijn ogen taalt in ernst een spel
een lach die rimpelt in een schilderij
waaruit hij nooit verdwijnen zal

Beroep

Honger drijft mij;
geen hoop of smal geloof
dwingt mij ’s nachts
tot de godheid
aan het knoppenpaneel, zijn wet is goedertieren.
Hij regelt zijn bassen zwaar
op mijn holle darmen in,
uitgemergeld
tot in het diepst van mijn kreunend perineum
trilt mijn karkas
mee in zijn almacht. Hij is mijn waarheid -
hij leidt mij tot niets.

Daar staat
de dikke man, ik trekt zijn aandacht
te midden van de mensen-stuwing,
op de hartslag van de duisternis duwt mij een zwelling naar buiten,
glipt mij na door een steeg, over een kade.
Het is een glijbaan -
hier volstaat een kort gebaar.

Ik loop voor hem uit, een boegbeeld
snakkend naar brood. Nooit was het beroep
op mijn maagdelijkheid ontvankelijker
dan toen, bij het bestijgen
van het krakend geraamte, de gammele trap.


Ik snak naar brood, er is alleen vlees - ik pleit mij niet vrij,
bezwijk niet. Onder die massa mag ik eten,
dankbaar neem ik zijn slijm, ik ben
meesteres in het belanden.

Honger drijft mij,
de man aan de knoppen, een nieuwe nacht.
Alles is voor niets - van mij
wordt geen enkele uitspraak verwacht.

Uitgesproken

Waarom zijn er geen woorden
Voor jou
Die toch weet van alfa
En blabla en verder
Tot waar men van spreekt
Klink jij
En je doet maar en je doet maar
Rijmeloos tegengesteld ben jij
Jij
Muziek voor mij

Balans

[ Homer Avila - 'Lost' |http://www.youtube.com/watch?v=4xtTmcr1w64]

onvolledig alsof ontdaan van
een arm – koester ik met één
hand schrijf ik links onthand
het gemankeerde vers

ergens verloor ik een standpunt
beweeg nu onhandig op één
voet - maar dans onbeholpen

in onbalans
men dient het gewicht
steeds te verplaatsen

het zoekt zich een ander zwaartepunt
daarbij toont mij verkwanseld alles
behalve gewichtsloos

mijn evenwicht

Slaap

Je slaapt
Je slaapt diep in mijn hoofd
Onder dikke lagen
Vergeten herinneringen
Je snurkt zo hard
Zou ik daar wakker van worden?

Trouwbelofte van een Sonneteuze

O stijl van toen weer zeer in zwang
indachtig regelen van rijmen
organies groeiend zonder dwang
verbonden woord en geen geheimen

stoer van gestel met ruggengraat
en samenhang van onderdelen
haar onverschrokkenheid weerstaat
de gram der experimentelen

ik vecht voor wat ik zeer bemin
nu passies hart en ziel doorvlijmen
en taal verwordt tot dollenpraat

zelfs huwelijkstrouw ten onder gaat...
en dan een breuk, niet meer te lijmen,
ik stop, mij lukt het net zo min

Sophietje

Sophietje met je blonde madeliefjesharen,
bloemenblauwe ogen en korenblank je huid,
je dwarrelt dansend door het goud van herfsteblaren,
strooit snoepjes van geluk met gulle handen uit.

Je lacht je lieve klaterlach, je gave tanden bloot,
hoe vrolijk zingt je naam, een lentemelodietje.
Je bloost je rozenwangen, je kersenlippen rood,
en als je ranja drinkt dan is het met een rietje.

Mijn kind nog, sprookjesboekenmeisje, bijna vrouw,
je laat zijn jongensogen in de jouwe stralen -
wat mag nog liefde heten als hier geen liefde staat?

En toch, als wondewezens worden jullie gauw.
Tot aan de waarheid reiken aloude verhalen -
langs vele kilometers zinnenprikkeldraad.


(JOHNNY LION - SOPHIETJE)

Buiten

speel jezelf vandaag
te buiten - vang mijn ogen -
trek aan oren
vorm een toverkring
van goede-mensen-mist
rond een kist -

je kist ontvangt
het glitter-end
een gulle muntjesregen

doe een blues en lach een beetje Bach
dag licht en glimme klankendag
en mensenring

wat schor
maar ach
het staat je vrij

je geeft
om mij

Koorddans

Wir turnen in höchsten Höhen herum,
selbstredend und selbstreimend,
von einem I n d i v i d u u m
aus nichts als Worten träumend.

Was uns bewegt - warum? wozu? -
den Teppich zu verlassen?
Ein nie erforschtes Who-is-who
im Sturzflug zu erfassen.

Wer von so hoch zu Boden blickt,
der sieht nur Verarmtes / Verirrtes.
Ich sage: wer Lyrik schreibt, ist verrückt,
wer sie für wahr nimmt, wird es.

Hochseil

Ich spiel mit meinem Astralleib Klavier,
v i e r f ü ß i g - vierzigzehig -
Ganz unten am Boden gelten wir
für nicht mehr ganz zurechnungsfähig.

Die Loreley entblößt ihr Haar
am umgekippten Rheine...
Ich schwebe graziös in Lebensgefahr
grad zwischen Freund Hein und Freund Heine.



Peter Rühmkorf, in dem Band "Walther von der Vogelweide, Klopstock und ich" (Rowohlt Verlag, 1975).
Wij turnen rond in de hoogste hoogten
sprekend van zelf, vanzelfrijmend
van een i n d i v i d u u m
uit louter woorden dromend

Wat ons beweegt – Waarom? Waarvoor? -
het tapijt te verlaten
een nooit uitgeplozen Who-is-who
in vrije val te vangen.

Wie van zo hoog naar de grond kijkt
die ziet slechts het verarmde / verdoolde.
Ik zeg: wie lyriek schrijft is gek,
wie haar voor waar neemt, wordt het.

Ik speel met mijn sterrenlijf piano
v i e r v o e t i g - veertigtenig -
helemaal beneden op de grond gelden wij
als niet meer geheel toerekeningsvatbaar.

De Lorelei ontbloot haar haren
aan de omgekiepte Rijn...
Ik zweef gracieus in levensgevaar
net tussen vriend Hein en vriend Heine.

Buitensporig

er loopt iets door haar leven
als een draad van rood haar
een streepje
ze trekt iets blauws
zeer fijn vertakt
tot een draderig haakwerk
haar vaten op een vel
vol rode strepen
maar in grote lijnen
één holle 1
ze nadert nul
op het binnenspoor
en stopt ermee